Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  3 - 1. RODERICK VAN VOORST EN KEPPEL.

Zoon van Sweder van Voorst en Agneta von Lohn.

Vermeld vanaf 1312. Hij sterft vóór 5 november 1342.

Roderick huwde voor 1330 Beatrix van Keppel, dochter van Wolter van Keppel en Jutta van der Sluyse. Zij testeerde 17 maart 1354 en stierf 3 augustus 1355. Volgens Gelre XIX, blz. 56 e.v. bewoonde zij als laatste van haar geslacht de burcht Keppel. Haar uitvaart te Deventer 31 augustus 1355 werd o.a. door de hertog van Gelre in persoon bijgewoond.
Door zijn huwelijk met Beatrijs werd Roderick van Voorst ook heer van Keppel en wordt als zodanig in 1334 voor het eerst vermeld. In 1335 komt hij voor als ridder en hij zegelde “te paard”. In 1338 wordt hij vermeld als opperambtman van de graaf van Gelre.
Zijn stamslot was de sterke Stins te Voorst bij Zwolle, vanwaar hij, doch meer nog zijn zoon Sweder, de schrik werd van zijn naburen.

In de oorkonden van het Huis Keppel vinden wij Roderick en Beatrijs als volgt vermeld:
Anno 1330, reg. no. 10:
- Jutte van der Sluyse, vrouwe van Keppel, weduwe van Wolterus, heer van Keppel;
- Beatrix, vrouwe van Voorst, vrouw van heer Roderick van Voorst, heer van Voorst;
- Agnese, weduwe van Johannes van Lienden;
- Yrmgardis, vrouwe van Lienden en haar man Theodoricus, heer van Lienden;
- Arnolda en haar man Wilhelmus de Ysendoorn;
- Johanna, geestelijke zuster in het klooster te Bedbur;
- Elisabeth en haar man Wilhelmus van Doornick (zoon van Borro van Doornick) en Lutgardis en haar man Gieselbertus de Brunckhorst verklaren, dat zij een jaarrente van 9 mark, welke hun man en vader, wijlen heer Wolter van Keppel, aan een altaar in de kerk van Keppel geschonken had, vestigen op enige stukken land t.w. de Nye Slaghe, gelegen in de parochie van Keppel, in der Essend.


3 september 1339, reg. no. 18
Rudericus, heer van Voerst en Keppel, oorkondt, dat Henricus en Gerlacus, gebroeders, geheten Meyerinch, met Truda, vrouw van Henricus, en hun kinderen Gerhardus, Bertradis en Elizabeth, verkocht hebben aan de plebaan van de kerk van Keppel en de rectoren van verschillende altaren in voornoemde kerk, 2 stukken land gelegen in Bevermeer.

19 augustus 1339, reg. no. 19:
Roderic, heer van Voorst en Keppel, beleent Jhanne den Groten, burger te Deventer, met 11 à 12 morgen land uit het goed Doedinghove in het kerspel Wyhe, mark Westerholte.

Een oorkonde der stad Emmerik dd. 21 december 1339 no. 12 (Hauptstaatsarchiv Düsseldorf) vermeldt:
Herzog Reinald von Gelder, die Ritter Roderick van Voerst, Hubert Schenc, heer von Culemborg, Arnold van Arckel, Gerard von Ulft, Friedrich von der Hese und die Knappe: Adam van den Berge, Alerd, heer von Bueren, Schöffen, Rath und Gemeinde der Stadt Emmerich und Doesburg, stellen die Johann Possevini, Bartholomeus Dary und Bartholomeus Abellone eine Obligation über 300 Turnosen aus, über ihrer Bestimmung und Rückzahlungstermin und die Strafbedingungen in Nichtzahlungsfälle.

In “Le Livre des Feudataires de Jean III, duc de Brabant, (1320)” door L. Galesloot (1865) staat opgetekend:
blz. 24: Domina Beatrijs, domina de Keppel et de Voerst, quedam bona jacentia prope terram de Hoesdenne que nuncupantur Nonnenweide.
blz. 34: Domina de Keppel LII jugera terra jacentia apud Doveren in terra de Heusden.
blz. 278: Walterus dominus de Keppel, circiter L libras annuatum in terra de Hoesdenne inter Doivere et Drunen et vocatur vulgariter Ter Nonnen­weide.

Uit het huwelijk van Roderick van Voorst en Beatrix van Keppel is slechts één kind bekend, hun zoon:

1. Sweder van Voorst.