Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  13 - 1. OTTO VAN VOORST, heer van Schadewijk

Zoon van Harmen Berend van Voorst, heer van Schadewijk en Anna Maria van Voorst.

Hij werd 3 april 1688 beleend met Schadewijk, was luitenant bij het regiment Bentinck te Borcken (1669-1671) en overleed in 1712.

Hij trouwde te Didam 14 juni 1679 met Charlotta Rebecca van Bohnenburg genaamd van Hontsteyn, vrouwe van Overbergen, Grieth en Wardensteyn, weduwe van Hendrick van Marhulsen en dochter van Wouter van Marhulsen en Hendrine van Brienen. Zij deponeerde 26 augustus 1680 haar besloten testament voor het gericht Zevenaar, doch herroept dit 25 mei 1693 na de geboorte van hun zoon Harmen Berend.
Na het overlijden van haar broer erfde zij de huizen Grieth en Wardensteyn met de onderhorige goederen.
Deze beide huizen stond zij af aan haar vůůrzoon van Marhulsen en bekwam daarbij de havezate Overbergen in het ambt Bislich (Duitsland).

Uit hun huwelijk werd geboren:

1. Harmen Berend van Voorst, heer van Schadewijk en Overbergen.
De opnieuw wankel geworden voortzetting van het geslacht werd door deze zoon voor de toekomst verzekerd.

2. Het echtpaar zou voorts nog een dochter hebben gehad genaamd Ida Margaretha,
zij zou een dochter zijn uit Charlotta's eerste huwelijk want in haar huwelijkscontract, opgemaakt 29 november 1670, ondertekent zij met Ida Margrita von Marhuls, dochter van Overbergen, Griet und Wardenstein. Zij trouwde met Johan Hendrik von Bassenn.